Past Simple oefenen

Voor basis/kader leerjaar 2 en 3. Oefen positieve zinnen, negatieve zinnen en vraagzinnen met directe feedback.

Positieve zin

persoon + werkwoord in de verleden tijd

Voorbeeld: I played football yesterday.

Bij regelmatige werkwoorden komt er vaak -ed achter het werkwoord.

Negatieve zin

persoon + did not / didn't + hele werkwoord

Voorbeeld: She didn't watch TV.

Let op: na didn't gebruik je het hele werkwoord, dus niet watched.

Vraagzin

Did + persoon + hele werkwoord?

Voorbeeld: Did they go to school?

Ook na did gebruik je het hele werkwoord.

Oefenen

Lees de opdracht en typ je antwoord.

Klik op “Nieuwe opdracht” om te starten.

Handige werkwoorden

Hieronder staan de werkwoorden die in de oefeningen gebruikt worden. Bij regelmatige werkwoorden maak je de past simple meestal met -ed. Bij onregelmatige werkwoorden moet je de vorm uit je hoofd leren.

Regelmatige werkwoorden

Hele werkwoord Past simple Voorbeeld
playplayedI played football.
watchwatchedShe watched TV.
cleancleanedI cleaned my room.
likelikedDid you like the film?
traveltravelled / traveledThey travelled to Spain.

Onregelmatige werkwoorden

Hele werkwoord Past simple Voorbeeld
gowentI went home.
havehadShe had breakfast.
seesawWe saw a film.
makemadeHe made dinner.
buyboughtThey bought a game.
dodidYou did your homework.
understandunderstoodI understood the question.
comecameHe came late.